Inwendige condensatie is een sluipend probleem: het vocht zit verborgen in het constructiepakket en wordt vaak pas ontdekt als er al schade is (houtrot, schimmel, verzakt isolatiemateriaal).
Hoe het ontstaat Warme binnenlucht bevat meer waterdamp dan de buitenlucht. Onder invloed van het dampdrukverval diffundeert waterdamp van binnen naar buiten. Passeert de damp onderweg een materiaalgrens die kouder is dan het dauwpunt, dan condenseert hij ter plaatse.
Gevolgen
- Natte isolatie (bijv. glaswol, steenwol) verliest een deel van haar isolerende werking; hoeveel, hangt af van het materiaal en het vochtgehalte
- Houtrot en schimmelgroei die lang onzichtbaar blijven achter afwerking
- In ernstige gevallen structurele aantasting van dragende houten constructiedelen
Rekenmodel: Glaser-methode De klassieke Glaser-methode bepaalt grafisch of condensatie optreedt door het temperatuurverloop én het verzadigde dampdrukverloop door de constructie te vergelijken met de werkelijke dampdruk. NEN-EN-ISO 13788 beschrijft een rekenmethode voor hetzelfde risico op inwendige condensatie door dampdiffusie, met maandelijkse klimaatgegevens en dampdiffusie als enig vochttransport. Beperkingen: de methode is stationair en houdt geen rekening met capillaire herverdeling of seizoensgebonden uitdroging. Voor complexe renovatiegevallen biedt een dynamische hygrothermische simulatie (bijv. WUFI) meer inzicht dan de stationaire Glaser-methode.
Twee preventiestrategieën
| Strategie | Principe | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Dampremmend | Dampscherm met een hoge sd-waarde aan de warme zijde | Binnenisolatie dak met folie |
| Damp-open | Opbouw wordt naar buiten steeds dampopener; vocht droogt weg | Houtvezel + diffusieopen windkering |
Beide strategieën, en het dampscherm zelf, staan uitgewerkt bij damp-open bouwen.
Aandachtspunt bij renovatie Bij na-isolatie van bestaande constructies (van binnenuit) verschuift het temperatuurverloop. Een constructie die droog was, kan na isolatie alsnog condensatieproblemen krijgen. Laat daarom vóór de uitvoering een Glaser-analyse of hygrothermische berekening maken. Wettelijk verplicht is dat niet: het Bbl stelt geen eis aan inwendige condensatie (zie hieronder).
Verschil met oppervlaktecondensatie Oppervlaktecondensatie ontstaat niet ín de constructie maar óp het binnenoppervlak: waar een wand, hoek of ruit kouder is dan het dauwpunt van de binnenlucht, slaat vocht zichtbaar neer. Bij 20 °C en 50 % RV ligt het dauwpunt rond 9 °C. Typische plekken zijn koudebruggen: kozijnaansluitingen, de aansluiting van vloer en gevel, dakranden.
Voor oppervlaktecondensatie kent het Bbl wél een eis. De maat is de temperatuurfactor f = (θsi − θe) ÷ (θi − θe): het verschil tussen de temperatuur van het binnenoppervlak en de buitentemperatuur, gedeeld door het verschil tussen binnen- en buitentemperatuur (ISO 10211). Voor de woonfunctie moet die ten minste 0,65 zijn, voor de andere gebruiksfuncties 0,5, behalve de overige gebruiksfunctie (Bbl art. 4.119, bepaald volgens NEN 2778). Voor inwendige condensatie stelt het Bbl géén eis; de Glaser-methode hierboven is ontwerppraktijk, geen wettelijke toets.
| Oppervlaktecondensatie | Inwendige condensatie | |
|---|---|---|
| Waar | Op het binnenoppervlak | In het constructiepakket |
| Zichtbaar | Ja: beslagen ruiten, natte hoeken, schimmel | Nee, vaak pas bij schade |
| Bbl-eis | Temperatuurfactor ≥ 0,65 (woonfunctie) | Geen |
| Aanpak | Koudebrug oplossen, ventileren | Dampremmende laag aan de warme zijde of een damp-open opbouw |